Getijdenbrief VI | Wirdum

De zon klimt.
Nog enkele dagen en zij bereikt haar hoogste punt.
Het land ligt open onder een wijde hemel.
Hier, in de delta van de Hunze, langs het Damsterdiep, draagt de aarde de sporen van water, wind en tijd.

Vruchtbare zeeklei.
Rijk en weerbarstig tegelijk.
Grond die geeft, maar niet zonder geduld.

Op de wierden zochten mensen eeuwen geleden een plek boven het water.
Niet om de natuur te beheersen.
Maar om ermee te leven.

In het oude kerkje van Wirdum valt het licht door smalle ramen naar binnen.
Licht dat hier al eeuwen over dezelfde stenen beweegt.
Licht dat vandaag de snaren raakt van cello, cello piccolo, piano en het blad van de lame sonore.
Twee vrouwen brengen de muziek van Arvo Pärt tot leven.

Geen muziek die de ruimte vult.
Eerder muziek die ruimte maakt.
Tussen de tonen ontstaat stilte.
En in die stilte klinkt Spiegel im Spiegel

Steeds dezelfde beweging.
Steeds anders.
Als golven die het strand raken.
Als ademhaling.
Als een mantra van klank.

Buiten glinstert het water.
Binnen bewegen lichtvlekken over hout en steen.
Twinkelingen op de golven van de tijd.

Terwijl de melodie zich ontvouwt, resoneren andere kusten mee.
De Oostzee.
De Baltische landen.
De oorsprong van de componist.
En misschien ook iets dat ouder is dan herinnering.
Een besef van verbondenheid dat zich niet laat uitleggen, maar soms wel laat ervaren.

De zon nadert haar hoogtepunt.
Litha, de zomerzonnewende.
Het moment waarop het licht zijn grootste omvang bereikt.
Niet als overwinning.
Maar als uitnodiging tot bezinning.
Want juist wanneer iets zijn hoogtepunt bereikt, begint ook de beweging naar binnen.

De muziek weet dat.
Het landschap weet dat.
De wierden weten dat.
Zij vertellen hetzelfde verhaal.
Dat alles beweegt.
Dat alles verandert.
En dat onder die verandering iets aanwezig blijft.
Zoals een spiegel die steeds een ander beeld toont, maar zelf onveranderd blijft.

De muziek weet dat.
Het landschap weet dat.
De wierden weten dat.
Zij vertellen hetzelfde verhaal.
Dat alles beweegt.
Dat alles verandert.
En dat onder die verandering iets aanwezig blijft.
Zoals een spiegel die steeds een ander beeld toont, maar zelf onveranderd blijft.

Wanneer de laatste tonen verstillen, blijft het licht nog even hangen in het kerkje.
Op de stenen.
Op de snaren.
Op het water buiten.
En voor een moment lijkt verleden en heden samen te vallen.
Niet als herinnering.
Maar als aanwezigheid.

Piet-Hein
Onderweg